Zekerheid voor proceskosten

Als gevolg van de internationalisering van het handelsverkeer zijn er meer grensoverschrijdende geschillen die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd. De verliezende partij wordt veroordeeld in de proceskosten en het incasseren hiervan kan problematisch zijn als die veroordeelde partij niet in Nederland woont of is gevestigd.

Zekerheid

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een regeling opgenomen die de gedaagde partij de mogelijkheid biedt om zekerheid te krijgen in geval de vordering van de buitenlandse eiser wordt afgewezen.[1] Het doel van deze regeling is te voorkomen dat een gedaagde die zich met succes verweert tegen de vordering, vervolgens hoge kosten moet maken om de proceskostenveroordeling te incasseren.

Deze regeling geldt dus niet voor eisers die zekerheidstelling voor de proceskosten wensen van een in het buitenland woonachtige of gevestigde gedaagde.

Kortom, iedereen zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, kan verplicht worden om zekerheid te stellen voor de proceskosten. Dit zal de rechter niet uit zichzelf doen, maar de gedaagde partij moet dit vorderen. Dit kan bij dagvaarding of door het instellen van een incidentele vordering in de lopende procedure.

Geen link met Nederland

Het bereik van deze regeling is tamelijk beperkt, omdat de eiser van wie zekerheid wordt gevorderd het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland moet hebben.

Dit betekent onder andere dat de vordering tot het stellen van zekerheid geen kans van slagen heeft als de buitenlandse eiser een vestiging heeft in Nederland. Daarnaast bevat het tweede lid van artikel 224 Rv nog enkele uitzonderingen op de hoofdregel.

Als de vordering tot zekerheidstelling door de eiser slaagt, dan zal de rechter in het vonnis het bedrag vaststellen waarvoor de eiser zekerheid moet stellen en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. De zekerheidstelling bestaat meestal uit een bankgarantie.


[1] Artikel 224 Rv. Deze bepaling geldt ook voor hoger beroep, zie artikel 353 Rv.